Redelijke eisen van welstand

Als uitgangspunt voor iedere welstandsbeoordeling gelden op de eerste plaats de redelijke eisen van welstand. Zij liggen ten grondslag aan de beoordeling van elk plan waarvoor welstandscriteria gelden. Deze redelijke eisen van welstand bestaan uit algemene architectonische begrippen en aspecten waarmee de kwaliteit en het getoonde vakmanschap van het bouwkundig ontwerp kan worden omschreven en beoordeeld.

Omdat bij alleen het vaststellen van de wettelijk verplichte criteria vaak niet meer bereikt kan worden dan een minimumniveau, worden met name in bijzondere welstandsgebieden aanvullende eisen gesteld.

Een bouwwerk voldoet pas aan redelijke eisen van welstand als het voldoende beantwoordt aan een aantal uitgangspunten die betrekking hebben op de relatie tussen het bouwwerk en zijn omgeving, de kwaliteit van het gebouw op zichzelf en de gebruikte materialen, detaillering en kleurstelling.

De term redelijke eisen van welstand ligt ten grondslag aan de welstandsadvisering, zoals deze verankerd is in de Woningwet.

Deze redelijke eisen van welstand bestaan uit:

Relatie tussen vorm, gebruik en constructie

De verschijningsvorm van een bouwwerk heeft een relatie met het gebruik en met de manier waarop het gemaakt is. Een bouwwerk wordt primair gemaakt om te worden gebruikt. Hoewel het welstandstoezicht slechts is gericht op de uiterlijke verschijningsvorm, kan de vorm van het bouwwerk niet los worden gedacht van de eisen om een doelmatige constructie te maken.
Dat betekent niet, dat de vorm altijd ondergeschikt is aan het gebruik of de constructie. De uiteindelijke verschijningsvorm wordt immers door meerdere factoren bepaald, zoals de invloed van de omgeving en de schaal en maatverhoudingen. Een bouwwerk waarvan de verschijningsvorm echter in tegenspraak is met het gebruik en de constructie, verliest aan begrijpelijkheid en beantwoordt daardoor niet aan redelijke eisen van welstand.

Relatie tussen bouwwerk en omgeving

Een goed ontwerp levert een positieve bijdrage aan de kwaliteit van de openbare ruimte. Hoe groter de openbare betekenis van een bouwwerk, hoe strenger de welstandseisen op dit gebied. Bij het oprichten van een bouwwerk is sprake van het afzonderen en in bezit nemen van een deel van de algemene ruimte voor particulier gebruik. Gevels en volumes vormen zowel de externe begrenzing van de gebouwen als ook de wanden van de openbare ruimte. Het gebouw is een particulier object in een openbare context. Het bestaansrecht van het gebouw ligt niet in het eigen functioneren alleen, maar ook in de betekenis die het gebouw heeft in zijn stedelijke of landschappelijke omgeving. Ook van een gebouw dat contrasteert met zijn omgeving mag worden verwacht dat het zorgvuldig is ontworpen en de omgeving niet ontkent. Waar het om gaat, is dat het gebouw een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan.

Betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context

Wanneer een ontwerp gebruik maakt van verwijzingen naar of overeenkomsten met bijvoorbeeld bouwstijlen of periodes uit het verleden, dan dient dit op een verantwoorde wijze te geschieden. Alleen dan kan het bouwwerk begrepen worden binnen de cultuurgeschiedenis en tegelijkertijd als uitdrukking van de huidige maatschappelijke realiteit.

Wanneer in een hedendaags industrieel gebouw ontwerpvormen uit de neogotische kerkenbouw worden gebruikt of wanneer historische ontwerpdetails in een ultramoderne wijk worden toegepast, dan zal bij de welstandstoetsing dit in het algemeen als een misser worden gekwalificeerd. Zorgvuldig omgaan met verwijzingen en associaties is noodzakelijk, omdat elk ontwerp per definitie ergens naar verwijst of ons ergens aan doet denken. Zo roepen transparante gevels van glas en metaal associaties op met techniek en vooruitgang. Het gebruik van pasteltinten bijvoorbeeld verwijst naar de sfeer van de gebieden rond de Middellandse Zee. Hoe zorgvuldiger deze verwijzingen en associaties worden toegepast en hoe beter ze aansluiten op de actuele sociaal-culturele ontwikkelingen, hoe meer kwaliteit een bouwwerk krijgt. Het is dus van belang om ook bij nieuwe bouwplannen zorgvuldig met stijlvormen om te gaan.

Evenwicht tussen helderheid en complexiteit

Een heldere structuur biedt houvast voor de waarneming en is bepalend voor de interpretatie van de beeldkwaliteit van een bouwwerk. Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht verloren gaat. Symmetrie, ritme, herkenbare detaillering, kleuren en materialen maken het voor de gemiddelde waarnemer mogelijk de grote hoeveelheid visuele informatie die de gebouwde omgeving geeft, te reduceren tot een begrijpelijk beeld. Het streven naar helderheid mag echter niet ontaarden in simpelheid. Een bouwwerk moet de waarnemer blijven prikkelen en intrigeren. In de architectuurgeschiedenis worden daarom helderheid en complexiteit altijd als complementaire begrippen ingebracht bij het ontwerpen van bouwwerken. Complexiteit in de architectonische compositie ontstaat vaak vanuit de opdracht aan de vormgever de stedenbouwkundige eisen te combineren met het programma van eisen van de initiatiefnemer.

Schaal en maatverhoudingen

Een bouwwerk vormt pas een samenhangend geheel, wanneer de ruimtes, de volumes en de vlakken in evenwichtige maatverhoudingen zijn ontworpen. Ieder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of de betekenis van de betreffende bouwopgave. Grote bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun eigen grenzen geleed zijn, maar zij worden onherkenbaar wanneer zij er uitzien als een verzameling losstaande kleine bouwwerken. De maatverhoudingen van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan. Duidelijk is dat de kracht van een compositie groter is naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang en hiërarchie vertonen. Mits bewust toegepast kunnen ook spanning en contrast daarin hun werking hebben. In dit verband is de vormgeving van daken en de compositie van gevels van groot belang. De afmetingen en verhoudingen van gevelelementen vormen samen de compositie van het gevelvlak. Hellende daken vormen een belangrijk element in de totale compositie. Als toegevoegde elementen, zoals een dakkapel of een aanbouw, te dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa en/of de vlakverdeling, verstoren zij het beeld van het object zelf en voldoen daardoor niet aan redelijke eisen van welstand.

Verantwoord gebruik van materiaal, details, kleur en licht

Materialen, bouwkundige details, kleuren en licht ondersteunen het karakter van een bouwwerk en versterken de samenhang met de omgeving. Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat materiaal, detaillering, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken. Door middel van materialen en kleuren wordt een bouwwerk uiteindelijk zichtbaar en voelbaar. De keuze van materialen en kleuren is tegenwoordig onbeperkt. Die keuzevrijheid maakt de keuze moeilijker en het risico van een onsamenhangend beeld groot. Als materialen en kleuren teveel los staan van het ontwerp en daarin geen ondersteunende functie hebben, maar slechts worden gekozen op grond van hun decoratieve werking, wordt de betekenis ervan toevallig en kan het afbreuk doen aan de zeggingskracht van het bouwwerk.

Cradle to Cradle als aanvulling op de redelijke eisen van welstand

De gemeente Venlo heeft het  ontwerpprincipe C2C omarmd. Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag in dat licht worden verwacht dat aandacht wordt geschonken aan materiaal, gebruik en vormgeving en daarbij invulling te geven aan de C2C ambitie en doelstellingen van de gemeente Venlo. De C2C principes vormen een aanvullend uitgangspunt bij het voeren van de dialoog. Voor verdere uitleg over dit ontwerpprincipe zie de pagina Cradle to Cradle.